
Er gebeurt iets bijzonders wanneer we oefenen.
Een stuk muziek dat je aan het instuderen bent, kun je bijvoorbeeld steeds opnieuw spelen.
Het wordt wat makkelijker, wat moeilijker, wat makkelijker.
Dan hou je op en laat het een paar dagen liggen, waarna het je ineens veel natuurlijker afgaat.
Je vingers lijken soepeler te bewegen.
Een ingewikkelde knoop heeft zichzelf losgemaakt.
Dat fenomeen is anders dan de meeste vormen van leren.
Het is niet zomaar informatie lezen, technisch verklaren en onthouden.
Het is mysterieuzer.
Op een ochtend word je wakker en ineens bevind je je in die nieuwe realiteit waarin je meer vaardigheid hebt op het moment van slapen gaan.
Het lichaam is veranderd, het heeft zich aangepast aan de uitdaging die het kreeg en heeft die aangenomen.
Gedeeltelijk kom je zover door de oefening.
Daarnaast kost het tijd om die oefening in de cellen van je lichaam op te nemen.
Dat kun je de herstelfase noemen.
Bij gewichtheffers breekt het oefenen de spieren af, waarna in de herstelperiode ze weer sterker opbouwen.
Het passieve element van oefening is even belangrijk als het actieve.
Zeker wanneer je blijft dromen of actief visualiseert hoe de oefening er perfect uit ziet.
Alleen maar onvermoeibaar hard werken is niet de weg om iets te creëren wat je brein visualiseert.
Het kan goed zijn om pauzes te nemen.
Om afstand te nemen en er later op terug te komen.
Je bouwt bewust aan je concentratie en focus en traint je brein om effectiever te leren.
Makkelijker.
Daardoor gaan andere vaardigheden ook vooruit.
Wanneer je jezelf piano leert spelen, zal je gehoor waarschijnlijk beter worden.
En misschien word je ok wel beter in rekenen.
Het doet er niet toe.
Marijn